Proper

In dit huis is niets van mij

In dit huis is niets van mij. Ik heb het bloemetjesbehang niet aangeschaft en ook de bank niet, hoewel dat laatste wel gekund had. Hij is precies zacht en diep genoeg en eigenlijk ben ik de enige die erop zit. Jij zit altijd in je stoel onder de lamp, met de krant, met koffie, met de hond aan je voeten. Jouw hond, want in dit huis is niets van mij. Zelfs de foto’s waar ik op sta, heb jij uitgezocht.

Vanochtend was zoals elke ochtend. Je liet de wekker maar één keer afgaan om me niet wakker te maken, verdween haast geruisloos de badkamer in en joeg me terug naar bed toen je ontdekte dat ik koffie voor je aan het zetten was. Je noemde me je schat voor je wegging en je hebt gelijk. Ik ben als een kostbare diamant, diep weggestopt in een kluis. Een kist vol goud op de bodem van de zee.

Toen ik klein was en mijn parkiet ophield met kwetteren, kochten mijn ouders een vriendje voor hem. Maar ik zou nooit iemand anders toelaten in dit huis en de hond doet niets anders dan twijfelen tussen zijn mand en het kleed voor de haard, of naar me opkijken en diep zuchten zoals alleen honden dat kunnen. Ik moet het alleen redden, al ben ik al lang geleden opgehouden met kwetteren.

Ik ging pas naar beneden toen ik zeker wist dat je weg was. Eerder had je zeker niet getolereerd. Ik mag uitslapen, ik mag zo lang in bed blijven als ik wil. Nee, ik hoeft niet samen met je op te staan. Ik hoef geen ontbijt voor je klaar te maken. En vanavond, als je terugkomt van je werk, neem je me mee uit eten en vertel je wat voor plannen je voor dit weekend hebt gemaakt terwijl je de mooiste chablis voor me uitzoekt. We gaan naar een hotel aan het strand, uitwaaien met de hond. We gaan feesten in de hoofdstad, eerst naar het optreden van die ene band en daarna afteren in de Jimmy, daar hield ik toch zo van? We gaan winkelen, naar het theater of misschien zelfs naar het buitenland. En ik straal zoals alleen een diamant dat kan en snijd mijn asperges.

En jij kan er helemaal niets aan doen. Jij bent zo perfect.

De hond keek me weer zo aan vanochtend. Hij liep ongedurig heen en weer tussen zijn mand en het kleed, piepend van keuzestress, en volgde me uiteindelijk naar de keuken waar ik me stond af te vragen wat er zou gebeuren als ik de broodrooster in de gootsteen zou zetten en de kraan zou opendraaien. Ik deed het niet, natuurlijk. Ik ben bijna net zo perfect als jij.

Maar niet helemaal.

De kussens op de bank zijn glad, mijn kant van de inloopkast ligt bij de stomerij, mijn geur is uit de lakens gewassen. Alles is proper. De foto’s waren het lastigst. Het zijn er zo veel. Het duurde even, maar nu is het enige wat nog herinnert aan mijn aanwezigheid een penetrante brandlucht en een hoopje geblakerd fotopapier in de gootsteen. De hond piept niet-begrijpend als ik de sleutels in zijn mand gooi, maar nu heeft hij in ieder geval een reden om voor het kleed voor de haard te kiezen. Het geluid van de deur die achter me dichtklikt klinkt me onbekend in de oren.

In dat huis was niets van mij.

Standaard
Spelletjescafé

Vlooienmarkt

De vroege lentezon schijnt in de druppels van een kroonluchter en werpt vlekjes licht op de uitgestalde waren. Het is vroeg en daarom rustig op de vlooienmarkt. Geluiden van anderen, een zacht gesprek, een lach, iemand die kratten uit een achterbak laadt, drijven op de wind langs Lisette heen. Iets verder ruist een autoweg. Het bedrijventerrein heeft maar weinig bomen en in een enkele berk zit een merel dringend te fluiten. Hij krijgt geen antwoord.

Lisette gaat met haar handen over een bontjas, echt, mottig roodbruin bont dat stug is van de ouderdom. Achter haar hoort ze Martin haar naam noemen met een aarzeling in de eerste lettergreep. Ze wil wegkruipen in de jas, zich als een pluisje laten meevoeren in de wind, een grassprietje worden tussen de stoeptegels. Maar ze gaat naar hem toe.

“Wat heb je gevonden?”

“De moeder aller bordspelen.”

Hij houdt een monopolyspel omhoog, de doos nog helemaal intact en als hij de deksel optilt ziet ze nette, ongekreukte briefjes in de felle kleuren die je alleen bij ongebruikte spellen ziet. De onnavolgbare figuurtjes, het hondje, de hoed, het strijkijzer, zijn nog van lood en niet geverfd plastic zoals bij modernere versies.

Ze knikt, al is Risk de moeder aller bordspelen, maar ze knikt. Ze maakt enthousiaste geluidjes waarvan ze allebei weten dat ze geveinsd zijn. Het is een mooi spel en het zou goed in hun collectie passen.

De eerste keer dat ze het erover hadden was in de trein vanuit het noorden naar huis. Ze hadden met zijn tweeën een aantal dagen in een Fries vakantiehuisje doorgebracht, dagen waarin ze het nergens eens over leken te worden, ze zelfs ruzieden over wie de groenten zou snijden bij het koken. Met als hoogtepunt Martin die de dobbelsteen tegen de muur smeet tijdens een potje Catan. Er kwamen krassen in het schaap. Ze keken zwijgen naar de voorbijflitsende velden en in de wanhoop om het besef weg te maken dat ze het niet eens een midweek op elkaars lip uithielden –hoe zouden ze het dan een heel leven moeten doen –liet Lisette zich haar droom ontglippen. Haar heimelijke droom die ze nooit uitsprak want dan zou hij echt worden.

Martin deed niet of ze gek was en lachte haar niet uit. Hij keek haar alleen maar verbaasd en haast ontroerd aan. Hij droomde ook al jaren van het beginnen van een spelletjescafé. De details verschilden wat, zij wilde in Amsterdam blijven en hij terug naar zijn geboortestad Utrecht, zij zag het modern en vernieuwend voor zich en hij voelde meer voor een bruin café. Maar daar viel over te praten. En met het praten, plannen, spellen verzamelen en naar binnen kijken bij leegstaande cafés kwam de verliefdheid terug, in onvoorspelbare, nerveuze golven.

De eerste maand hadden ze zelfs geen ruzie meer. Heel even voelde Lisette zich licht, in een relatie met iemand die haar begreep, verbonden door dezelfde droom. En toen de ruzies terugkwamen, heftiger dan voorheen, bleef het spelletjescafé bestaan als een andere werkelijkheid waarin het wél klopte tussen hen. Dus ze bleven plannen en vlooienmarkten afstruinen op zoek naar aanvullingen voor hun groeiende collectie.

Lisette kijkt toe hoe Martin afrekent met cash en hoopvoller naar het spel kijkt dan hij in de laatste weken naar haar heeft gekeken. Ze zullen naar huis gaan, het in de kast zetten en tijdens de lunch praten over in welke stad ze hun spelletjescafé zullen vestigen. En vanavond, na het kijken van een film die ze zich daarna niet meer zal herinneren, zal ze zich in bed irriteren aan Martins ademhaling en het stukje van zijn rug dat onvermijdelijk tegen de hare aanligt.

Martin is alweer doorgelopen, op zoek naar het volgende spel. Lisette staat stil, gaat met haar vingertoppen weer over de bontjas. De verkoopster kijkt haar aan.

“Geïnteresseerd in de jas? Het is echt bont.”

Lisette knikt. Met haar andere hand omklemt ze de portemonnee in haar zak. Ze twijfelt, kijkt naar Martin en weer naar de jas. Dan schudt ze haar hoofd.

“Nee hoor. Bedankt.”

Ze loopt weg. In de berk fluit de merel door zonder gehoord te worden.

Standaard
Handstand

Herinnering aan de zomer

Het is vooral de warmte die ik mis.

Ik had het niet gedacht. Ik had niet verwacht dat toen hij wegging, toen we afspraken dat we feestjes waar we eerst samen heen zouden gaan, zouden vermijden en ik zijn Facebook ontvolgde om niet meer met hem geconfronteerd te worden, het de warmte zou zijn die ik als eerste zou missen. De veiligheid die het samenzijn met hem, of misschien wel het samenzijn met iemand bood. Mijn nieuwe huis voelt koud en leeg en moeizaam aan, hoeveel lenteboeketten ik mezelf ook cadeau doe.

Ik heb het geprobeerd op de voor de hand liggende manieren: alle seizoenen van Friends opnieuw kijken en huilen als ze hun sleutels in het appartement achterlaten. Mezelf verbazen door een hele emmer Ben&Jerry’s in mijn eentje leeg te eten, drie dagen achter elkaar. Met mijn vriendinnen naar een drankhol in de Lange Leidsedwarsstraat en roepen dat ik toch beter af ben zonder man. Mezelf diezelfde avond nog in de armen storten van een jongen met een vochtig overhemd.

En toch blijft het koud.

Ik probeer te herinneren wanneer ik dit nog niet voelde, voordat hij er was, en ik blijf steken bij de zomer dat ik als kind in een landhuis logeerde en alles goed was. Wakker worden en de zon over de heiige velden zien strijken. Met mijn blote voeten in het natte gras, diepzwarte bramen plukken in de berm en direct in mijn mond stoppen. De handstand oefenen tegen de zijmuur van het landhuis. Al moest mijn zusje wel helpen met overeind houden. En ’s avonds bij de open haard in slaap vallen, met de wetenschap dat er altijd wel iemand was die een dekentje over me heen zou leggen.

Het zijn herinneringen die ik op een speciale plek in mijn geheugen bewaard heb, die liggen te wachten op een moment zoals dit. Een laatste toevluchtsoord. Maar in het grote lege bed waar ik elke avond in kruip verandert de troost waar ik op hoop in een gevoel van diep en pijnlijk verlangen, ergens bovenin mijn buik.

Dus nu zit ik achterin een taxi.

Toen ik de taxichauffeur vertelde waar ik heen moest, was zijn beleefdheid onberispelijk. Maar onderweg is hij weinig spraakzaam. Hij vraagt niet waarom ik naar een verlaten vakantiehuis wil in het laagseizoen, of waarom hij in de door braamstruiken overwoekerde berm moet wachten. Terwijl ik het piepende hek openduw, zet hij de radio een stukje harder.

Het is een tijdje geleden dat iemand hier geweest is, maar onder het onkruid herken ik nog de tuin. Het huis ziet er ouder, aftandser en kleiner uit dan ik me herinner. Op de veranda staan geen bankjes meer, het hout lijkt rot. Aan de dikke eik hangt nog wel de schommelband aan een beschimmeld touw.

Even schiet het door mijn hoofd of ik niet de herinnering had moeten laten voor wat hij was. Ik rits mijn jas open en hoewel het koud is, leg ik hem op de veranda. Het is goed. Sommige dingen blijven niet zoals ze waren. Er is niemand die in de avond een dekentje over me heen legt.

Ik schat de afstand in, neem een aanloopje en zet mijn handen in het natte gras. Mijn voeten stoten tegen de muur. Even wankel ik, maar ik sta. Ik doe de handstand.

En er is niemand die me overeind houdt.

Standaard
Coole gastjes

Een goede vader

Dag 365. Willemijn legt een stapeltje voorleesboeken in haar tas terwijl Alexander haar bewegingen vanaf de keukentafel in de gaten houdt. Ze draagt de kinderen op om papa alvast welterusten te wensen en als ze vragen waarom hij niet meegaat, zegt Alexander dat hij moet werken. Van Willemijn krijgt hij een geroutineerde kus en de mededeling dat ze morgenochtend weer terug is. Dat van zijn avond en zijn vriendjes dan geen spoor meer in huis mag zijn. Ze kijkt hem nog even doordringend aan. Geen spoor.

Alexander heeft een krat bier in huis gehaald, maar de jongens nemen de rest mee. Hij mag het niet meer thuis bewaren van Willemijn. De kinderen, weet je wel, wat als Splinter en Sterre het vinden? Gelukkig heeft Erik een sigarettenblikje in zijn binnenzak met daarin alles wat Alexander kan wensen. Erik legt lijnen voor hem klaar en Brent slaat hem op zijn schouders als hij met tranende ogen zijn neus afveegt. Hij is het aan het verleren. Dan gaat het snel. Er is een feest, een dampende dansvloer en lichten die te vroeg aangaan. Maar, zoals Brent roept, er is altijd nóg een feestje. En dat is zo. Ze rijden slingerend naar West, Alexander op die kutbakfiets want tegenwoordig heeft hij zo vaak de kinderen bij zich dat hij zijn stadsfiets maar heeft weggedaan. Spijtig.

Het tweede feestje is beter. Minder coole gastjes met petjes, meer jonge grietjes met leggings, strakke middeltjes en hoge tietjes. Even schiet Sterre door zijn hoofd, hoe ze later hier ook zal staan- Nee, dit is godverdomme zíjn avond. En de grietjes zijn geïnteresseerd. Misschien zijn het zijn grijzende haren, of zijn vaderlijke uitstraling. Of hij heeft het gewoon nog, nooit verloren, alleen weggestopt wachtend op het juiste moment.

De avond dreunt voort, te hard, te snel. Er komen nieuwe grietjes waarvan hij de namen niet onthoudt, de bodem van Eriks sigarettenblikje raakt in zicht. En dan een smsje, dat binnenkomt op het moment dat hij zijn telefoon pakt. Alsof hij er op wachtte. Willemijn. Nog een uurtje, let je op? Ja, hij let op. Jezus.

Dan is de lol eraf. Er waren tijden dat hij dit elk weekend deed. De groep waar nu alleen Erik en Brent van over zijn, was groter en Willemijn zocht het maar uit. Maar nu staat hij direct na de sms naast zijn bakfiets, een half uur vroeger dan vorig jaar en anderhalf uur vroeger dan het jaar daarvoor. Brent en Erik zijn nog binnen, staan vast nog te dansen als het nog lege huis binnenstommelt en de dekens over zijn bonkende hoofd trekt.

Buiten is het al lichtgrijs in plaats van zwart. Toen er kinderen kwamen, draaide Willemijn de duimschroeven aan. Alexander moest 365 dagen per jaar een goede vader zijn, verdomme. Hij kronkelde als een kat in het nauw, probeerde te onderhandelen en Willemijn week. Ietsje. 364 dagen waren van het gezin. Die laatste was van hem.

De sleutel in het slot klinkt als een kanonskogel. Het geluid van voetstappen in de gang, Splinter die de ochtendcartoons aanzet en Sterre die er overheen schreeuwt.

Alexander legt zijn handen over zijn ogen.

Dag 1.

Standaard
korte verhalen
Buurtcoach

De jongen met de rode jas

Het is dinsdagavond en je zit tegenover een jongen die probeert uit te leggen wat een consultant precies doet. Een paar weken geleden hebben jullie op een feestje zo’n beetje tegen elkaar aan gehangen omdat het laat was en jullie allebei wat op hadden en je tot de beangstigende realisatie kwam dat op dat moment al je vriendinnen, zonder uitzondering, met iemand in bed lagen. Hij vroeg je nummer en nu zit je hier, in een café waar de muziek te hard staat. Je drinkt Bitter Lemon omdat je geen idee hebt wat je hier doet.

Hij is knap, denk je, en hij kan enthousiast vertellen over dingen die hij leuk vindt. Hij ruikt op een geruststellende manier naar aftershave. Maar je voelt het niet en je vraagt je af wat hij dan wel voelt. Hij doet zo zijn best. Als jullie afscheid nemen overweeg je even om hem te zoenen, omdat hij aardig en beleefd is en je dat moet aanmoedigen, of omdat je al een hele tijd niet meer met iemand gezoend hebt. Uiteindelijk fiets je toch alleen naar huis, en zijn teleurgestelde ogen verdwijnen al snel van je netvlies.

Onderweg passeer je twee jongens die het allebei overduidelijk wél voelen, voor elkaar dan, en je betrapt jezelf op de gedachte waarom zij wel en jij niet. Je vindt jezelf een triest geval. Even later denk je aan de pot Nutella die je nog hebt staan, aan de boterham die je te dik zult besmeren als je thuis bent of nee, de lepel die je in de pot zult steken en aflikken, twee, drie keer. Direct daarna besluit je om de pot in de prullenbak te flikkeren zodra je thuis bent.

Als je je fiets aan het vastzetten bent, staat hij ineens daar. Hij vraagt of alles goed gaat, noemt je mevrouw op een manier die meer klinkt als ‘mifrouw’. Voor je het weet heb je hem uitgenodigd om naar boven te komen en hangt hij zijn rode jas op terwijl je de waterkoker aanzet. Aan theezetten kom je niet toe. Hij lijkt niet verbaasd dat je zijn hand op zijn knie legt, misschien ben je niet de eerste die dit doet, misschien rekende hij er zelfs op toen hij op je af kwam. Het maakt niet uit. Hij zegt niet veel en zijn armen zijn sterk. Je valt in slaap tegen een warm lijf dat naar zweet en vreemdeling ruikt.

De volgende ochtend hangt zijn rode jas er niet meer. Je zet de waterkoker weer aan en schuifelt door het huis, op zoek naar een briefje, een teken. Je vindt niets. Je opent het raam en kijkt naar buiten, naar de nattige stoeptegels, naar de duiven die tussen het te vroeg buiten gezette grofvuil scharrelen. Je weet niet precies wat er is gebeurd, vannacht. Of je weet het wel maar doe je alsof je het niet meer weet. Je verschoont je bed en je wist het nummer van je date uit je telefoon. Hij was het niet. Maar gelukkig was er de jongen met de rode jas.

Standaard
Factor 50

Natuurgeweld

Zelfs de palmbomen zuchten zacht krakend onder de warmte. Zevenendertig graden. Ik zit op een handdoekje in de schaduw en bouw hoopjes wit zand, smeer me af en toe in met de noodzakelijke factor 50. In de niet zo heel verre verte zwemmen mijn reisgenoten in water dat zo helder is dat je meters onder je de vissen nog ziet zwemmen.

Ik verveel me. Dit zou perfectie moeten zijn, maar ik erger me dood aan de stilte, het geluid van de golven die steeds maar weer over het zand spoelen zonder dat er iets verandert. Zelfs de regenbuien die de hemel elke middag rond vieren over ons uitstort zijn voorspelbaar geworden: een afdak zoeken, een half uurtje wachten en dan weer terug naar mijn handdoekje.

In de iets verdere verte bouwt zich al een donkere wolkenmuur op. Ik heb mijn spullen al ingepakt als het begint te regenen, eerst spetters en daarna dikke druppels. De anderen komen gillend en lachend het water uit en wikkelen zich in hun handdoeken, op zoek naar beschutting. In de lucht rommelt de donder en iemand grapt nog dat er geen hoogste punt is. Dat we de pineut zijn als het begint te bliksemen.

Niet dat zoiets ooit bij ons zou gebeuren. Dat soort dingen hoor je alleen in andermans verhalen.

We vinden relatieve droogte in de tent waar hamburgers en cocktails verkocht worden; de enige beschutting op het strand dat zich lang en wit uitstrekt tot aan de horizon. Er zijn ook locals die het al even grappig vinden als wij. De wind trekt aan het klapperende tentdoek en slaat de regen naar binnen. Water stroomt tussen onze voeten door, tot we op papperig nat zand staan.

Ik heb niet eens door dat er een lichtflits is. Dat er vonken opspringen. Het wordt zwart en het volgende wat ik merk is mijn kaken die pijnlijk op elkaar klappen. Naast me zakt een man in elkaar. Iemand gilt.

Waar paniek is, is chaos. Meer mensen beginnen naar elkaar te roepen –mijn vrienden in het Nederlands, de rest in het Spaans- er wordt gezocht naar schoenen, iemand gaat op een stoel staan. En ik controleer mezelf op sporen, brandwonden, iets op mijn huid dat bewijst dat de natuur zo-even heeft laten zien wie de sterkste is. Niets.

Terwijl de rust terugkeert, een enkeling begint te huilen van de ontlading en de flessen rum worden opengetrokken als troost of om te vieren dat we nog leven, voel ik dat er iets is veranderd. Er stroomt iets nieuws door mijn aderen. Als ik dit kan, kan ik alles aan.

De lucht klaart alweer op. Ik voel me licht als ik de tent uitstap, de anderen achterlaat en met wankele benen tot aan de zee loop. Met mijn voeten in het water kijk ik naar de horizon. De Atlantische Oceaan klotst kalm tegen mijn enkels alsof er nooit iets gebeurd is.

Standaard
Gescheurd condoom

Het einde van het feest

Ik ben te laat. De voorzitter, of hoe noem je dat, uitvaartbegeleider, stopt met praten en de mensen voorin de zaal draaien hun strakgetrokken hoofden naar me om. Ik probeer te glimlachen op een manier die ook respect toont voor hun verdriet, maar ik weet helemaal niet hoe dat moet. Ik krijg er kramp van in mijn wenkbrauwen.

Iemand sist mijn naam; het is Ype. Hij klopt op de lege stoel naast hem, alsof hij verwacht had dat ik zou komen en een plekje voor me heeft vrijgehouden, en ik schuifel tussen de mensen door tot ik naast hem kan neerploffen. De uitvaartbegeleider schudt zijn hoofd en kondigt een spreker aan. De vader van Bert.
“Moet dat, met die tieten?”
Ieps manier om me te begroeten na wat er is gebeurd. Ik kijk naar beneden, waar mijn decolleté bijna uit mijn jurk barst.
“Ik ben aangekomen. En ik had niks anders zwarts.”
Hij zegt niets, kijkt alleen maar naar de vader van Bert die oud en trillend op het podium staat. Hij heeft het over Berts levenslust en kracht, iets waar ik nooit iets van heb gemerkt die paar keren dat ik over de IT-afdeling langs zijn bureau liep.
“Bert had het vast leuk gevonden.”
Iep haalt zijn schouders op. “Oké. Misschien. Maar ik vind het ongepast.”
Het is een mooie uitvaart, echt. Ook al wordt ‘ie gehouden in het centrum van de begraafplaats dat zijn best doet om er op een niet-religieuze manier zo veel mogelijk als een kerk uit te zien. Overal liggen bloemen, lelies met linten, witte rozen, kleurige boeketten met uitsteeksels die in het regenwoud geplukt lijken te zijn. Berts vader kondigt iets van Marco Borsato aan. Daarna zijn er twee jongens met gitaren die een zelfgeschreven nummer spelen.
“Iep?”
“Hm?”
“Denk je nog wel eens aan Halloween?”
Naast me blijft het stil. De jongens beginnen met de muziek mee te neuriën.
“Nou?”
Ik dacht tot voor kort zelf niet vaak terug die avond, aan de vrijdagmiddagborrel in Halloweenthema, aan slingers in de vorm van vleermuizen en die rottige heksenhoeden die iedereen droeg en die voor iedereen te groot waren. Maar ik deed dan ook heel hard mijn best om die hele avond uit mijn gedachten te houden.
“Ik denk meestal niet aan Halloween,” zegt Iep.
“Maar soms dus wel?”
“Meestal niet.”
Ik kijk naar de kist, naar de bloemen, naar de achterhoofden voor me met kapsels en hoedjes waaraan je niet kunt zien of de mensen waar ze bij horen, moeten huilen of lachen. Gek eigenlijk. De jongens met de gitaren spelen hun laatste akkoord.
Er waren cocktails, die avond waar we allebei nooit aan denken. Cocktails die zo zwaar naar pompoen smaakten dat je na drie drankjes pas doorhad hoe sterk ze waren. Er was Iep, mijn lievelingscollega, in een ander licht. Er was de voorraadkast waar alle kantoorartikelen in bewaard worden en er was nog steeds zo’n heksenhoed die maar over mijn ogen zakte.
De jongens met de gitaren krijgen geen applaus. In plaats daarvan wordt er heen en weer geschuifeld op de stoelen en haalt iemand onbehoorlijk zijn neus op. De uitvaartbegeleider kondigt de beste vriend van Bert aan. Iep kijkt nog steeds strak naar voren.
“Maar misschien moeten we er weer wat meer aan gaan denken.”
“Dat was ik niet van plan.”
Ik weet nog dat er allemaal nietjes op de grond lagen toen Iep de heksenhoed wat optilde. Ik vroeg hem waarom hij stopte, hij had een paniekerige blik in zijn ogen. Maak je geen zorgen, zei ik, ik ben aan de pil. Ik was dronken en ik loog.
De beste vriend van Bert is niet zo gewend om voor publiek te spreken, hij friemelt met zijn handen, stottert en pauzeert af en toe zijn verhaal waarbij hij ons radeloos aankijkt.
“Iep?”
“Hm?”
“Iep, ik ben niet ongesteld geworden.”
De speeches zijn klaar. Er zijn mannen die naar voren komen en de kist optillen, en iedereen staat op om er achteraan te lopen. We zijn de laatste in de rij, weer kijk ik alleen tegen ruggen aan, kapsels, hoedjes en kale plekken. En terwijl we naar buiten lopen, probeer ik Ieps hand te pakken.

Standaard