Diarree

Chronisch bange poeperd

Al voordat we vanuit het vliegtuig de zinderende, stinkende warmte instapten, wist ik dat ik het niet zou doen. Waarom ik nu dan toch een tuigje om mijn middel en benen heb, is me een raadsel. Het zit zo strak dat ik me in gedachten voorstel dat het zweet dat zich nu boven de banden ophoopt, straks als een straal diarree naar beneden gutst als ik het weer losmaak.
‘Use sunscreen’, raadt de jongen achter de balie ons aan en ik denk ‘nee’, omdat ‘nee’ het enige is dat mijn brein nog produceert.
Nee.

Ik heb zesentwintig euro betaald voor ‘nee’.

De ironie dat ik gisterenavond nog meer betaalde voor ‘ja’ ontgaat me niet. Als je in India voor zo’n dertig euro alcohol naar binnen gulpt, doe je veel te snel een belofte die je helemaal niet na wil komen. Het tuigje klemt zich om mijn buik en mijn maag draait rondjes waar mijn wasmachine in centrifugestand u tegen zegt. Ik twijfel of het door de alcohol of de angst komt.

‘Follow me’, zegt het snoepje van een begeleider en ik kijk hem boos aan.

Ik kan nu op dit moment de keuze maken om de rest van mijn leven een angsthaas te blijven. De deur naar avontuur voorgoed dicht te gooien. Daar hoef ik niet eens zo veel voor te doen. Ik hoef alleen maar naar het snoepje te kijken, tegen mijn voorhoofd te tikken en te zeggen dat hij het maar lekker zelf doet. Maar in mijn hoofd roert zich een stemmetje, waarvan ik liever heb dat het Hindi spreekt zodat ik het niet kan verstaan: ‘Diagnose chronisch bange poeperd als je dit niet doet.’
Wil ik dat? Nee.

Ik vervloek mijn brein dat ook nu alleen maar ‘nee’ produceert en loop achter het snoepje aan.

Stap. Nee. Stap. Nee. Stap. Nee.
Trap op. Fuck. Nee.
Ik hijs mezelf het eerste platform op. Van de zes. Het uitzicht is overweldigend. Even word ik duizelig. Het fort van Jodhpur fungeert als ruggensteun. Het water van het meer dat tussen de bergen ligt kleurt diep onder me heldergroen van de algen. In de verte zie ik de tegen muskieten blauwgeverfde huisjes van de stad in miniatuur, als een smurfendorp. De afgrond is steil en rotsachtig en de kabel die van dit platform tot het volgende op de berg tegenover me is gespannen, lijkt me veel te dun.
Mijn bonkende hart en knikkende knieën zijn nog overweldigender dan het uitzicht. Ik vraag aan snoepmans of ik kan stoppen als ik de eerste ‘line’ echt te eng vind en hij schudt zijn hoofd.

Hij klikt me vast aan de kabel. Hij klikt me verdomme vast aan de kabel.

Hij kijkt me aan en vraagt: ‘You are not sure?’
Ik schud mijn hoofd, maar het stemmetje begint weer te ratelen. ‘Diagnose chronisch bange poeperd! Bestaat geen medicatie voor!’ Ik kruis mijn voeten over elkaar en til mijn benen op. Een klein zetje van het snoepje. En dan vlieg ik. Ik vlieg echt! Ik hang verdorie in de gloeiendhete Indiase zon, met zweet als diarree in mijn kleren en een fort, bergen en water om me heen in de lucht.

Met één zwieper maai ik één van mijn grootste angsten overhoop.

Standaard
Mededeling van Het Genootschap

Tot een andere keer

Dit is geen afscheidsbrief, maar na 1339 dagen, 141 thema’s, 667 verhalen en 363.393 woorden is het mooi geweest. Het Schrijversgenootschap stopt te bestaan. Althans, in de huidige vorm.

We begonnen in oktober 2012 met deze site om onszelf een stok achter de deur te geven. Een verplichting te schrijven, zodat we wel moésten oefenen. En dat is vrij goed gelukt. We hebben in 3 jaar en 7 maanden heel vaak mooie, soms gekke of spannende en zelfs nogal eens ontroerende verhalen geschreven.

En dat deden we bepaald niet alleen. Voor elk thema was er een gastschrijver, die op zijn of haar eigen wijze het thema invulde en ons ook weer wat leerde. Dank jullie wel, gastschrijvers!

Maar nu is het even klaar. We voelen de noodzaak van de stok achter de deur niet meer. We blijven schrijven, maar niet zo frequent en gestructureerd als voorheen. We schrijven namelijk ook aan andere, spannendere en grotere dingen. Wellicht kom je een van ons nog wel eens tegen in een boekwinkel (liever op papier dan fysiek, maar dat is ook prima), op tv, in een krant, of ergens op het internet. We weten het eigenlijk wel zeker.

We zullen niet meer op gezette tijden verhalen plaatsen, maar sporadisch, op willekeurige dagen en tijdstippen. Een stuk minder dan de drie per week die je van ons gewend bent, ook. Het wordt een vrijblijvend gebeuren. Wil je een stuk insturen? Dat kan nog steeds.

Tot slot hopen we dat we jou hebben kunnen vermaken, lieve lezer. Zonder jou zou het toch maar een saaie bedoening zijn geweest. Fijn dat je er was, dat je las, likete, deelde of klaagde. Het was een eer om voor je te schrijven.

En het was gezellig.

Tot ooit!

Het Schrijversgenootschap

Emma Verkuijl
Harm de Kleine
Jan Emmens
Linda van Doorn
Matthijs van Asselt

* klik op de naam voor alle verhalen van de betreffende schrijver

Standaard
Op de bar

Ik voel me heel wat

Op mijn derde haalde ik mijn strikdiploma en ik voelde me heel wat. Ik mocht een veterschoen inkleuren als prijs en droeg mijn schoenen met trots. Dat schoenen met veters uit de mode zouden raken en dat ik daar pas achter kwam toen meisjes uit de klas me daar nuffig op wezen, had ik van te voren ook niet kunnen weten.

Vijf jaar later deed ik mijn eerste communie en ik voelde me heel wat. Ik droeg een jurkje met roze bloemetjes en was zo trots als een pauw toen ik mijn hostie kreeg. Dat dat ding bleef plakken aan mijn gehemelte nam ik voor lief. Dat ik twintig jaar later zes brieven moest sturen om me weer uit de katholieke gemeenschap te laten schrijven ook.

Rond mijn elfde maakten we het tuinhekje van ‘Gekke Nel’ kapot en ik voelde me heel wat. Ik was maar wat blij dat klasgenoten me mee namen om kattenkwaad uit te halen.
Nadat mijn vader gebeld werd, omdat de overbuurvrouw had gezien dat kinderen de boel sloopten en dat ik daarbij was, kreeg ik een week huisarrest.

Op mijn veertiende kuste ik met een jongen en ik voelde me heel wat, want hij was al achttien.
Dat hij meteen aan mijn borstjes wilde zitten en ik huilend naar huis ging omdat ik dat niet durfde, accepteerde ik. Ik had wel mooi met iemand gekust; dat kon ik toch maar mooi tegen vriendinnen zeggen. Ik hield het voor me, omdat ik niet zeker wist wie er op mijn avontuurtje zat te wachten.

Twee jaar later vroeg Judith of ik iets voor haar wilde bewaren; haar moeder zou razend worden als ze het zag. Ze drukte een busje pepperspray in mijn hand en ik voelde me heel wat. Als het populairste meisje van de klas me dit toe vertrouwde, móésten we wel vriendinnen zijn.
Ik stond er niet bij stil dat mijn moeder óók razend zou zijn, en al helemaal niet dat Judith het spul ook echt gebruikt zou hebben.
Achter beide dingen kwam ik pas toen de schooldirecteur belde dat ik onmiddellijk terug naar school moest komen, omdat ik bewijsmateriaal achter hield.

Op mijn achttiende danste ik voor het eerst op een bar en ik voelde me heel wat, maar dat kon ook door de drank komen. Van de rest van die avond weet ik weinig. De blauwe plekken die ik de dag daarna ontdekte, vertelden me dat ik beter niet op een bar kon gaan staan.

Toen ik 22 was kochten mijn vriend, wiens oma me steevast Wilma noemde, en ik samen een huis. Ik voelde me heel wat. Toen we anderhalf jaar later uit elkaar gingen, begreep ik dat zijn oma al die tijd gelijk had. Dat mijn naam het onthouden niet waard was, omdat ik toch weer zou vertrekken.

Drie jaar geleden zette ik mijn handtekening onder mijn diploma journalistiek en ik voelde me heel wat. Dat had ik toch maar mooi voor elkaar gebokst. Dat er in deze sector geen werk te vinden is en dat ik nu nog steeds telefoniste bij een witgoedbedrijf ben, had ik van tevoren niet verwacht.

Gisteren kocht ik voor het eerst in mijn leven met personeelskorting een strijkplank. Ik voelde me heel wat. Het kopen van een strijkplank stond voor mij synoniem aan het goed op orde hebben van een eigen huishouden.

Of ik hem ooit ga gebruiken, weet ik nog niet.

Standaard
Op de bar

Lang leve de medische zorg

Toen ik geboren moest worden, bleef ik zitten waar ik zat. Hoe hard mijn moeder ook perste en schreeuwde, ik kwam er niet uit. Zelfs de pomp bracht geen uitkomst. Het werd, derhalve, een keizersnee. Ik had geluk dat ik in een land ter wereld kwam waar de medische zorg uitstekend was.

Op m’n negende kreeg ik koorts. Het was uiteraard niet de eerste keer en alles wees erop dat dit gewoon een griepje was. Ik begon echter ook te hoesten en de koorts liep snel op. Tegen de tijd dat mijn ouders mij meenamen naar de eerste hulp en ik door een verpleegster getemperatuurd werd, had ik 41 graden koorts. In een rolstoel werd ik van hot naar her gebracht, onderzocht, uitgekleed, gescand en gecontroleerd. Longontsteking. Aan het eind van de dag mocht ik naar huis, met een forse dosis antibiotica in m’n lichaam.

Een paar dagen later kwam de uitslag van het bloedonderzoek en bleek ik ook hepatitis te hebben. Welke letter achter de hepatitis stond weet ik niet meer, maar het was wel zo erg dat m’n hele familie met mij aan de penicilline. Besmettelijk, schijnt. Ik herstelde in drie weken en ik had geluk dat ik kind mocht zijn in een land waar de medische zorg uitstekend was.

Halverwege m’n achttiende had ik buikpijn. Een drukkende pijn onder m’n navel, die snel uitbreidde naar de rechterkant. Blaasontsteking, dachten m’n ouders. Misschien een blindedarmontsteking? Er werd besloten het nog een dagje aan te kijken. De volgende ochtend kwam de huisarts, omdat ik inmiddels niet meer naar de dokter toe kon komen. Ze was er in vijf minuten uit: blindedarmontsteking. Acute appendicitis, zo noemde ze het. Ze belde een ambulance – onze auto was in gebruik – en enkele uren later werd ik geopereerd.

Vijf dagen lang werd ik in slaap gehouden. Twee keer werd m’n buik geopend en schoongespoeld, om het pus van de geperforeerde blindedarm weg te ruimen. Ik ontwikkelde bloedvergiftiging, hartritmestoornissen zelfs. Toen ik wakker werd kon ik m’n hoofd niet meer optillen van m’n kussen. M’n lichaam had zichzelf opgegeten in het gevecht tegen de ziekte.

Na vier weken mocht ik het ziekenhuis verlaten. Zo dun als een gevangene in een Nazi-concentratiekamp – een harde vergelijking die helaas wel naar waarheid is. Driekwart jaar later was ik weer zo’n beetje de oude. Ik mocht weer gaan studeren en ik had geluk dat ik mens mocht zijn in een land waar de medische zorg uitstekend was.

Nu ben ik 27. Volgens het ritme moet ik in dit levensjaar weer iets levensbedreigends krijgen. Ik heb daarvoor alvast één ding besloten: als ik de 28 haal, vier ik dat op de bar van een café. En dan mag ik straks geluk hebben dat ik dronken mag zijn in een land waar de medische zorg uitstekend is.

Standaard
HVA schrijfwedstrijd: Walrus

De verzameling van meneer Visscher

In samenwerking met de minor Creatief Schrijven van de Hogeschool van Amsterdam organiseerde Het Schrijversgenootschap voor het derde jaar op rij een heuse schrijfwedstrijd. Aan de studenten vroegen we om een kort verhaal te schrijven binnen het geweldige thema ‘Walrus’. Op nummer 1 is het verhaal De verzameling van meneer Visscher van Marije Catsburg geëindigd! Een juryrapportje vind je onder het verhaal.


De verzameling van meneer Visscher

Op een regenachtige zondagochtend klopten er twee politieagenten aan bij restaurant ‘De Meermin’, dat net buiten het gehucht Weerdekkersvaart lag.
‘Meneer Visscher, bent u daar?’ riep agent Voskuil. Hij klopte nog eens drie keer hard op de houten deur. ‘We zijn van de politie. Maakt u zich geen zorgen, we willen u alleen een paar vragen stellen.’
De deur ging langzaam en krakend open. Meneer Visscher stond in zijn pyjama in de deuropening. Zijn vette haar zat plat over zijn kruin gestreken en zijn rimpelige gezicht zat vol pigmentvlekken.
‘Nou? Wat willen jullie weten?’ vroeg hij.
Agent Zandstra stapte langs hem heen naar binnen.
‘We zijn hier omdat er een echtpaar vermist wordt, meneer. Ze zouden drie dagen geleden hier in uw restaurant gegeten hebben en daarna is er niks meer van ze vernomen.’
Ze observeerde het lege restaurant. Er stonden een stuk of tien houten tafeltjes, met aan elk twee houten stoelen. Tussen het spinrag op de muur hingen schilderijen van oude schepen en er hingen tientallen planken die vol stonden met kleine beeldjes van walrussen. In de raamkozijnen stonden kleine vuurtorens en stoffige replica’s van oude schepen.
‘Drie dagen geleden, hè? Ik herinner ze nog wel, ze hebben gevulde garnalen gegeten en zijn na zo’n anderhalf uur weer vertrokken,’ zei meneer Visscher.
‘Je weet gelijk over wie we het hebben,’ zei agent Voskuil.
‘Ik heb niet zo vaak klanten. Internet schrijft weinig positiefs over mijn eten, daardoor blijven ze weg.’
Agent Zandstra liep langzaam door het restaurant en bekeek de walrusfiguurtjes aandachtig.
‘U bent gek op walrussen, of niet? Dit zijn zeker tweehonderd beeldjes.’
Meneer Visscher kwam naast haar staan en pakte één van de kleine walrusjes van een plank.
‘Walrussen zijn fascinerende dieren, agent. Ik verzamel al twintig jaar alles wat met ze te maken heeft,’ zei hij. Hij wreef met zijn mouw over de kop van de walrus. ‘Deze hier heb ik gekocht bij een echte Inuit. Hij heeft hem met de hand gemaakt van een walrusslagtand.’
‘Handel in ivoor is verboden, meneer Visscher. Wist u dat?’
Meneer Visscher pakte een groter beeldje van de plank en hield het voor haar gezicht.
‘Deze heb ik zelf gemaakt, van steen. Echt mooie structuren krijg je helaas alleen als je een zeer specifiek materiaal gebruikt. Ik heb een Inuit het ooit zien gebruiken, maar in Nederland is het, laten we maar zeggen, moeilijk verkrijgbaar,’ zei hij. ‘Toch heb ik recent wat kunnen experimenteren ermee en het resultaat is werkelijk verbluffend.’
Agent Voskuil griste het walrusje uit de hand van meneer Visscher en zette het met een doffe dreun terug op de plank.
‘We zijn hier voor het vermiste echtpaar, niet voor een les beeldhouwen. Zou u nu zo vriendelijk willen zijn om ons uw keuken te laten zien?’
‘Goed, goed. Maar blijf van mijn beeldjes af, wil je?’ Hij leidde de agenten door een deur naar de keuken. ‘Kijk gerust rond. Ik ga me even fatsoenlijk aankleden.’
Meneer Visscher liep terug het restaurant in en de agenten hoorden voetstappen op een trap. Zodra hij buiten gehoorsafstand was, begonnen ze alle kasten open te trekken.
‘Vreemd figuur,’ zei agent Zandstra tegen haar collega.
‘Vertel mij wat. Er hangt sowieso een hele merkwaardige sfeer in het restaurant, vind je niet?’
In de kasten stonden een paar blikken tonijn waarvan de houdbaarheidsdatum al maanden verstreken was en in de lades lagen wat verroeste lepels en een paar botte messen. Het zag er niet naar uit dat meneer Visscher in staat was in deze keuken een fatsoenlijk gerecht te bereiden.
‘Geen wonder dat hij slechte recensies krijgt,’ grapte agent Voskuil. Hij draaide de sleutel van een bezemkast om en opende de deur.
‘Dit is al helemaal merkwaardig,’ zei hij, met zijn blik gefixeerd op twee jassen die op de vloer lagen. ‘Wat voor kleding droeg dat echtpaar donderdag ook alweer volgens het signalement?’


Het juryrapport

Het Schrijversgenootschap zegt het volgende over het verhaal De verzameling van meneer Visscher van Marije Catsburg:

Goed verhaal, want: Het beeld van het restaurant is echt goed neergezet. Goed de interesse gewekt van de lezer. Je wil weten wat er gebeurd is en daarom blijf je doorlezen. Uitstekende locatiebeschrijvingen. Ook die enge meneer Visscher, met zijn plakhaar, is heel goed gecast. Het creepy sfeertje in het restaurant voelt levensecht, en dat is best knap voor zo’n fantasievol verhaal.
Verbeterpunt: Kijk ook nog eens goed naar je beschrijvingen van handelingen. Een zin als ‘Ze observeerden het restaurant’ kan weg als je daarna beschrijft wat er in het restaurant staat.. Zo schrijf je nogal wat keren dat je personages dingen zeggen, pakken of opendoen. Hoeft allemaal niet en weglaten maakt het verhaal mooier, strakker. De agenten spreken clichématig en gekunsteld. Probeer ze een echte, eigen stem mee te geven. De zin over het moeilijk verkrijgbare materiaal en het recente experimenteren geeft iets teveel weg. Door de suggestie levend te houden, houd je ook het verhaal spannend. Nu weet je het al en kan de lezer daar eigenlijk al stoppen. En mocht er nog een sprankje suggestie zijn, is die aan het eind helemaal weg. Dat is zonde. Zet de lezer op het verkeerde been, wek suggesties, laat hem nadenken, maar onderschat hem niet.
Mooiste zin(sdeel): ‘Zijn vette haar zat plat over zijn kruin gestreken en zijn rimpelige gezicht zat vol pigmentvlekken.’
Standaard
HVA schrijfwedstrijd: Walrus

De Walrus

In samenwerking met de minor Creatief Schrijven van de Hogeschool van Amsterdam organiseerde Het Schrijversgenootschap voor het derde jaar op rij een heuse schrijfwedstrijd. Aan de studenten vroegen we om een kort verhaal te schrijven binnen het geweldige thema ‘Walrus’. Op nummer 2 is het verhaal De Walrus van Alex Ebbers geëindigd. Een juryrapportje vind je onder het verhaal.


De Walrus

De mannen van de Admiraal Kondakov stonden klaar om aan boord te gaan. Behalve Dominik, want die mocht niet mee. Het was een winderige herfstdag. De Russische vlag op het reusachtige schip wapperde zo hard dat het leek alsof hij elk moment van zijn stok kon waaien. De windvlagen maakten vogelnesten van de kunstige kapsels van de thuisblijvende vrouwen. Kinderen klampten zich vast aan de reling van de walkant, of aan de benen van hun wankelende moeders. Alles en iedereen werd bijna van zijn sokken gewaaid, maar de Admiraal gaf geen kik. De boot stond als een huis. Alles zou Dominik ervoor overhebben om mee te mogen varen. Hij zou het dek schrobben met enkel een tandenborstel. Hij zou het vuile ondergoed van de bemanning eigenhandig wassen en God, als het moest zou hij de Grote Oceaan overzwemmen om ook maar één nachtje op zijn grote liefde, de Admiraal Kondakov, te mogen slapen.
Met een glinstering in zijn ogen keek Dominik naar de boot. Weken had hij getraind. In groepen van tien werden ze klaargestoomd voor de grote reis. De sterksten en de slimsten verdienden een plaatsje op de Admiraal en Dominik was vastbesloten dat hij daar één van was. De slimste zou hij niet worden, dat mocht op de lagere school al duidelijk zijn. En wie niet slim is, moet sterk zijn, dus trainde Dominik. Hij trainde en trainde tot hij niet meer kon en dan ging hij nog een stukje verder. In die weken groeide hij uit van een jongen tot een man, maar het mocht niet baten. Hij was niet mans genoeg voor de Admiraal.
“Misschien volgend jaar, jongen,” had kolonel Lavrov hem gerustgesteld. Dominik knikte; volgend jaar misschien. Maar had hij goed om zich heen gekeken, dan had hij geweten dat er nog vele volgende jaren zouden komen. Dominik was gegroeid, een sterke man en zeker geen draak om naar te kijken. Maar een ketting is zo sterk als de zwakste schakel. En vergeleken met de zwakste schakel van de Admiraal Kondakov was Dominik slechts een nietje.

Alle koffers waren ingeladen, de wind was wat gaan liggen en de vrouwen hadden hun kapsels weer in model gebracht. Er werden laatste zoenen uitgedeeld. De vrouw naast Dominik drukte haar man een foto in zijn hand en gaf hem een onhandige kus op zijn rechterwang.
“Vergeet me niet,” snotterde ze, waarna haar geliefde de foto in zijn borstzak stak, zijn koffer oppakte en richting het schip liep. Dominik keek weer naar de Admiraal. Zo geduldig, zo rustig lag ze erbij. Hij beeldde zich in hoe hij zijn eigen vrouw gedag zou zeggen, mocht hij ooit meevaren. Hij zou haar zoenen en zeggen dat hij haar zou gaan missen. Hij zou beloven haar te bellen en er waarschijnlijk zelfs een traan uit persen. Maar zou ze weten dat ze altijd op de tweede plek zou staan? Dat de Admiraal zijn ware liefde was en dat hij er geen moment over zou peinzen zijn vrouw op te geven voor een leven op de Admiraal?

De mannen van de Admiraal Kondakov stonden aan boord, klaar om te vertrekken. Ze zwaaiden naar hun huilende vrouwen, hun kinderen, hun juichende vrienden en naar Dominik. En Dominik zwaaide terug. Met pijn in zijn hart, maar met hoop in zijn ogen keek hij hoe zijn liefde zonder hem vertrok. Hij keek naar haar totdat ze alleen nog een stipje aan de horizon was. Hij stak zijn handen in zijn zakken en liep langzaam naar huis. Volgend jaar, volgend jaar stond hij niet meer aan wal.


Het juryrapport

Het Schrijversgenootschap zegt het volgende over het verhaal De Walrus van Alex Ebbers:

Goed verhaal, want: Topverhaal dit: goede sfeer, sympathiek personage, mooie zinnen. Van begin tot eind pakkend. Boeiende karakters, mooie beeldspraak, hoofdpersoon die je wat gunt. Je leert Dominik echt kennen en je voelt zijn liefde voor het schip en zijn wil om mee te gaan. Mooi geschreven, mooi omschreven.
Verbeterpunt: Het einde slaat een beetje dood. Je blijft achter met een gevoel van ‘was dat het?’ Er mist iets wat prikkelt om verder te lezen, een mysterie, iets verrassends, wat dan ook. Het is ook wat cliché dat een jongen nog niet sterk genoeg is en volgend jaar mee mag. Als je een andere reden verzint die niet zo voor de hand ligt is het nóg beter. De titel is oké, maar het wordt in het verhaal wel duidelijk dat het om een Rus gaat die aan wal blijft, dus kan de titel juist iets pakkender. Soms zijn er wat zinnen die de stijl breken. Een zin als ‘Alles en iedereen werd bijna van zijn sokken gewaaid’ past niet in het geheel.
Mooiste zin(sdeel): ‘Maar een ketting is zo sterk als de zwakste schakel. En vergeleken met de zwakste schakel van de Admiraal Kondakov was Dominik slechts een nietje.’
Standaard
HVA schrijfwedstrijd: Walrus

Tekening op de koelkast

In samenwerking met de minor Creatief Schrijven van de Hogeschool van Amsterdam organiseerde Het Schrijversgenootschap voor het derde jaar op rij een heuse schrijfwedstrijd. Aan de studenten vroegen we om een kort verhaal te schrijven binnen het geweldige thema ‘Walrus’. Op nummer 3 is het verhaal Tekening op de koelkast van Bente van de Wouw geëindigd. Een juryrapportje vind je onder het verhaal.


Tekening op de koelkast

Ik houd van tekenen. Zoveel, dat er iedere dag een nieuwe tekening op de koelkast gehangen wordt. Op de meesten staan huisjes met een grasveld en mijn lievelingshond. En mama, ik teken graag mijn mama. Maar wat ik het allerliefst teken, zijn walrussen. Die hangen alleen niet op de koelkast, want van mama mag ik geen walrussen maken met mijn kleurpotloden. “Walrussen zijn niet lief,” zegt ze dan als ik boos word. En dan pakt ze mijn potloden af, totdat ik weer een huis met een grasveld maak. Ik vind het niet eerlijk, want zij heeft haar eigen Walrus, en ik mag er niet eens een tekenen.
“Heb je ons huisje nagemaakt?” Mama buigt over me heen, haar beide handen op mijn schouders.
“Nee, ik heb het huis getekend waar ik in ga wonen. Alleen.”
“En waar ga ik dan wonen?”
“Bij Walrus.”
Haar handen glijden van mijn schouders af.
“Ik woon veel liever met jou in een huis, Tom.”
“Waarom?”
“Omdat ik met jou de hele dag samen ben, en Walrus komt maar af en toe langs.”
“Waarom?”
“Omdat ik daarvan jouw lievelingsbroodjes met hagelslag kan kopen. Met die funnies.”
Ik houd van funnies, bijna net zoveel als van tekenen.
“Wanneer mag ik zo’n broodje?”
“Morgen,” zegt ze. En dan drukt ze een kus op mijn hoofd en loopt ze de kamer uit. Ik hoor de deur van de badkamer dichtgaan. Dat doet ze altijd als hij komt.
Ik begin net met het inkleuren van het gras als de deurbel gaat. Ik spring op. Misschien ben ik dit keer wel eerder bij de deur. Ik heb net de klink vast als ik mama’s voetstappen hoor. Ze tilt me op, brengt me naar mijn kamer en gaat op haar knieën voor me zitten. De bel gaat nog een keer. Mama’s mond is een strakke streep, net als die van mij.
“Ik heb toch gezegd dat je niet open mag doen, Tom?”
Ik knik.
“Mama wil dat je hier blijft in de slaapkamer, zoals we altijd doen. Oké?”
Ik knik nog een keer. Dan geeft ze me een kus op mijn hoofd en loopt ze terug naar de huiskamer.
Ik luister naar de voetstappen, naar het opengaan van de deur. En dan hoor ik hem. Walrus. Een lage stem, veel lager dan die van mij. Nog meer voetstappen, veel zwaarder dan die van mama. Bij iedere stap die hij zet een zuchtje, alsof lopen zwaar voor hem is. Dan een deur die dichtslaat. Mama’s kamer. Daarna is het stil.
Zou hij op de walrussen lijken die ik stiekem teken als mama niet kijkt? Heeft ze hem daarom die bijnaam gegeven? Hij heeft vast een snor. Toch?
Ik loop voorzichtig naar mijn kamerdeur en doe de klink zo zachtjes mogelijk naar beneden. Op mijn sokken sluip ik langzaam naar het eind van de gang, waar mama’s deur is. Ik leg mijn oor ertegenaan. Ik hoor zijn zuchtjes, maar dit keer loopt hij niet. Voorzichtig doe ik de deur open, zodat mama het niet kan horen. En dan zie ik hem. Hij heeft geen snor. En mama had gelijk, volgens mij is hij helemaal niet lief.
Ik houd van tekenen. Op de meeste tekeningen staan huisjes met een grasveld en mijn lievelingshond. En mama, ik teken graag mijn mama. Maar wat ik liever niet meer teken, zijn walrussen.


Het juryrapport

Het Schrijversgenootschap zegt het volgende over het verhaal Tekening op de koelkast van Bente van de Wouw:

Goed verhaal, want: Schrijven vanuit het oogpunt van een kind is moeilijk. In dit verhaal is het goed gelukt. Het is geloofwaardig. Daarnaast: je houdt het spannend. Je vertelt de lezer niet te veel maar genoeg om te willen doorlezen. Er is volop gebruik gemaakt van het ‘show, don’t tell’ principe. En het is een verhaal waar je een beetje een unheimisch gevoel van krijgt, wat een sterk pluspunt is.
Verbeterpunt: Ik wil meer weten! En het zo rond maken, die herhaling van het begin in het einde, is een (te) makkelijke manier om een verhaal af te sluiten waar eigenlijk nog wel meer in zit.
Mooiste zin(sdeel): “Mama’s mond is een strakke streep, net als die van mij.”
Standaard